
Naast de tientallen bekende en minder bekende AOC’s die samen de wijnregio Bourgogne vormen, telt de voormalige geografische regio Bourgogne ook vier IGP’s (Indication Géographique Protégée). Dit zijn kleine, relatief onbekende wijndistricten. De classificatie IGP verving in 2009 de oude benaming Vin de Pays.
Naast IGP Coteaux de l’Auxois, die in een eerdere bijdrage centraal werd gesteld, omvat de regio nog drie andere kwalificaties: IGP Yonne, IGP Saône-et-Loire en IGP Sainte-Marie-la-Blanche. Hoewel er rondom het dorp Sainte-Marie-la-Blanche al decennia lang wijnbouw plaatsvindt, werd het gebied in 1996 al als Vin de Pays erkend en valt het tegenwoordig onder de IGP-classificatie.
IGP Sainte-Marie-la-Blanche is een klein wijndistrict ten oosten van de laagste hellingen van de Côte de Beaune, waar de wijngaarden niet de classificatie AOC Bourgogne mogen dragen. Het landschap is vlakker en de bodem bestaat uit dichte, vruchtbare klei, die zich beter leent voor akkerbouw dan voor wijnbouw. Toch betekent dat niet dat hier geen wijnstokken staan. De meeste wijngaarden liggen op hellingen waar de natuurlijke afwatering de nadelen van de zware bodem gedeeltelijk compenseert.
Het contrast met de beroemde klei-/kalksteenbodems van de Côte de Beaune is groot. Misschien verklaart dat mede waarom Sainte-Marie-la-Blanche zo weinig bekendheid geniet. Toch wordt hier wel degelijk wijn gemaakt, en meer dan je op grond van de schaarse informatie over het gebied zou verwachten.
De klei lijkt op het eerste gezicht vooral in het voordeel van pinot noir druif te werken. De meeste wijnen zijn dan ook rood. Binnen de IGP-regels is de keuze aan druivenrassen overigens aanzienlijk ruimer, maar ook hier bepalen de vertrouwde bourgondische rassen het beeld: pinot noir en gamay voor rood, chardonnay en aligoté voor wit. Over die witte wijnen valt bovendien meer te vertellen dan de summiere beschrijvingen van de IGP doen vermoeden.
Een goede kennismaking met de wijnen biedt de plaatselijke coöperatie, Cave de Sainte-Marie-la-Blanche. De coöperatie werd in 1957 opgericht en telt inmiddels 45 participerende wijnbouwers. Haar doel is tweeledig: de eigenheid van dit kleine wijndistrict bewaren en tegelijkertijd de kwaliteit van de wijnen verder verbeteren.
Daarvoor werkt Cave de Sainte-Marie-la-Blanche samen met twee andere coöperaties, Nuiton-Beaunoy in Beaune en Terres Secrètes in Prissé. Een groot deel van de vinificatie vindt plaats in Beaune; de wijnen worden vervolgens in Sainte-Marie-la-Blanche bewaard. Het is een opmerkelijke constructie voor een wijndistrict dat nauwelijks bekendheid geniet, maar daardoor juist toegang heeft tot kennis en faciliteiten die een kleine coöperatie moeilijk zelfstandig kan organiseren.
De eigen wijnen van de coöperatie beginnen met een IGP Pinot Noir: licht van kleur en stijl, met vooral rood fruit en de smaak van kersen. De laatste jaren heeft de coöperatie daarnaast nadrukkelijk geïnvesteerd in de ontwikkeling van de schaarse witte wijnen. De IGP Chardonnay en IGP Aligoté behouden daarbij hun bourgondische karakter. Ze leveren frisse, levendige wijnen op, met indrukken van wit fruit – perzik, peer en citrus – aangevuld met bloemige aroma’s en minerale tonen.
Dat klinkt allemaal wat deftiger dan het prijskaartje doet vermoeden. De twee IGP-wijnen, inclusief de rosé, kosten nog geen vier euro per fles. Voor dat bedrag staat er gewoon een smaakvolle wijn op tafel. Dat vond ook mijn bourgondische gastheer, met wie ik de IGP Chardonnay proefde. Hij herkende onmiddellijk de aangename smaak van een rijpe peer. Wat hij miste, was diepte en een langere afdronk. Een terechte constatering, maar bij een dergelijke vriendenwijn zoek je daar niet al te lang naar. Ik schonk zijn glas simpelweg nog een keer vol.
De coöperatie heeft overigens veel meer te bieden dan de eigen IGP-wijnen. Zij voert een groot gamma aan Bourgognes uit de Côte de Nuits, Côte de Beaune en beide Hautes-Côtes, vaak tegen opvallend aantrekkelijke prijzen. De Bourgognes uit de Hautes-Côtes de Beaune kosten allemaal minder dan tien euro.
De witte Hautes-Côtes de Beaune ‘En Vallarot’ uit 2016, deels opgevoed in houten vaten, trok mijn aandacht. Een insider tip overigens. Wie een stap hoger op de appellatieladder wil, hoeft evenmin diep in de buidel te tasten. De fruitige rode Chorey-lès-Beaune kost iets meer dan twaalf euro, de rode Monthélie slechts een euro meer. Zelfs de 1ers Crus blijven, met bijvoorbeeld een Nuits-Saint-Georges of Pommard, nauwelijks boven de dertig euro. En dan is er nog de Grand Cru ‘Clos de la Roche’ uit Morey-Saint-Denis, de duurste wijn van de coöperatie, die keurig onder de vijftig euro blijft.
Pas toen ik eind september vanuit Sainte-Marie-la-Blanche in noordwestelijke richting reed, drong goed tot me door hoe klein en tegelijk hoe verborgen dit stukje Bourgogne is. Na amper vier kilometer reed ik al de bebouwde kom van Beaune binnen. Ik moest er stilletjes om lachen. In al die jaren had ik een verrassend stukje Bourgogne letterlijk én figuurlijk over het hoofd gezien – en dat op slechts enkele kilometers van Beaune, de wijnhoofdstad van de Bourgogne.