Bourgogne wordt overspoeld door ego’s

Domaine Long-Depaquit uit Chablis (Wijn uit Bourgogne)
Grands Jours de Bourgogne 2018 (de flessen dragen het magische jaartal 2015)

Hoeveel waarde hecht een liefhebber van Bourgogne tegenwoordig nog aan een reisgids? Het aanbod aan Nederlandstalige gidsen waarin wijn een prominente rol speelt is de laatste jaren merkbaar geslonken. Een constante factor vormt de Groene Reisgids van Michelin, die met zekere regelmaat in een nieuwe editie verschijnt. Tegelijkertijd lijkt de boekhandel zich in toenemende mate te vullen met persoonlijk getinte reisverhalen. Een recent voorbeeld daarvan is Bourgogne: Yonne, Côte d’Or & Saône et Loire (2023) van Ruud Couwenhoven.

Het oog wil ook wat, en op dat vlak stelt Couwenhoven niet teleur. Het boekje is handzaam en oogt fris. Toch duurt het even voordat je de vinger kunt leggen op de eigenlijke kern; de overdaad aan kaders en QR-codes op de flappen werkt eerder als omleidingsborden dan als een wegwijzer. Uiteindelijk ontvouwt zich een reis van het noorden van de Bourgogne tot in het zuiden van de Mâconnais. Per auto of fiets kun je daarbij de achterlanden van de wijngaarden verkennen.

Kortom, het is een geëngageerd boekje vol tips en adviezen, waarin wijn een belangrijke rol speelt. Zijn enthousiasme voor de Yonne is aanstekelijk; je voelt dat hij er de weg droomt. Al lezend ontgaat het je niet dat Chablis de bakermat van de schrijver is. Geen enkele wijnschrijver zou immers een halve pagina wijden aan de onofficiële achtste Grand Cru van Chablis (‘La Moutonne’) zonder een duidelijke band met Domaine Long-Depaquit (Maison Albert Bichot).

Veelzeggend is derhalve dat hij zich pas rond pagina 114 losmaakt van Yonne, het departement waarin Chablis ligt, in een boekje dat nog geen tweehonderd pagina’s telt. Met nog slechts zo’n zeventig pagina’s te gaan, moet de auteur plots flink op het gaspedaal trappen om de overige vier wijndistricten te doorkruisen. Het is dan bijna onvermijdelijk dat er onderweg het een en ander over het hoofd wordt gezien.

Dat wordt pijnlijk duidelijk wanneer hij op pagina 166 eindelijk mijn Côte Chalonnaise binnenrijdt. Je hoopt daar eenzelfde bezieling aan te treffen als eerder in Chablis, maar de regio fungeert hier vooral als een noodzakelijk tussenstation. De vinologische diepgang is ver te zoeken; we blijven steken bij de vaststelling dat er in Givry rode en witte wijn wordt gemaakt. In Rully wordt – verrassing – ook wijn gemaakt. Daar is geen speld tussen te krijgen, maar voor een ‘wijnroadtrip’ is het ronduit karig. Niet de eerste — en ik vrees ook niet de laatste — schrijver die de Côte Chalonnaise schaamteloos mangelt tussen de Côte d’Or en de Mâconnais.

In het daaropvolgende hoofdstuk, ‘Wijnproeven en kopen in Saône-et-Loire’, vinden we geen enkel adres in de Côte Chalonnaise terug. Opmerkelijk, zeker omdat de schrijver zich voor zijn proef- en koopadviezen baseert op een Parijse caviste — “een van de beste van Frankrijk”. De belofte van een “wijnroadtrip vol verrassingen” krijgt daardoor een andere lading; deze verrassing had ik in elk geval niet zien aankomen.

Het boekje wringt op meer bladzijden: er wordt terecht aandacht besteed aan Vézelay, maar over wijn in deze contreien geen woord; van het eeuwige vastklinken van de césar druif aan de AOC Irancy *) word ik onderhand onrustig; wat te denken van het advies om bij La Chablisienne “beter door te fietsen”, om later in het boekje wél een prestigieus wijndomein aan te bevelen, met de terloopse toevoeging “mocht je er terechtkunnen”.

Egodocumenten zijn mij blijkbaar niet besteed. Ik voel te veel gehijg in mijn nek: ik moet dit of dat doen, anders zou ik er spijt van krijgen. Het kinderlijke idee dat de schrijver ‘een geheim met je deelt’, evoceert geen greintje nieuwsgierigheid, evenals de holle slogan “insidertips van locals”. Ik kan in mijn eigen bourgondische dorp immers ook aan de overbuurvrouw vragen wat voor weer het morgen wordt.

De rondwarende suggestie van exclusiviteit — nog eens versterkt door aanbevelingen van dure Bourgognes waarvan het maar de vraag is of ze voor ons bereikbaar zijn — maakt het onderwerp wijn opnieuw onnodig intimiderend.

Tot slot richt ik mij tot mijn lezers met een eenvoudige vraag: wat zou je het liefst doen in de Bourgogne? Een kwartiertje staren naar de druiven van ‘La Romanée-Conti’, om thuis te kunnen zeggen dat je de bron van de duurste Bourgogne hebt gezien (ook al is dat inmiddels de ‘Musigny’ van mevrouw Bize-Leroy)? Of liever drie variëteiten Viré-Clessé proeven bij Vérizet, de coöperatie in Viré? Wie voor het eerste kiest, kan ik dit boekje van harte aanbevelen.

*) Aan alle rode en rosé Bourgognes in het departement Yonne mag césar worden toegevoegd, met uitzondering van de Bourgogne Passe-tout-grains en de Bourgogne Côtes d’Auxerre. Bovendien is de toevoeging van césar aan een Irancy geenszins verplicht; in de betere oogstjaren is een Irancy doorgaans 100% pinot noir.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.